Peddelen tussen Rogen en Femund

Tekst: Ron Wagter, gepubliceerd in Oppad, Maart-April-nummer 1992

"Kanokarretjes? Nee, die hebben hier geen zin." De baas van het kanoverhuurbedrijf Topsport in Funäsdalen, schudt lachend zijn hoofd. Wie van plan is om van het Zweedse Rogen naar het Noorse Femund te varen, zal af en toe moeten slepen. "Op sommige plaatsen moet je bijna een kilometer met de kano lopen. Er zijn geen paden en af en toe moet je flink klauteren." Een paar uur later zijn we onderweg naar het beginpunt van de tocht. Volgens onze routebeschrijving zou je het stuk in drie tot vier dagen kunnen afleggen, maar voor de zekerheid hebben we voor vijf dagen eten in onze rugzakken gestopt. Het is de eerste keer dat we aan een tocht van dit kaliber beginnen, dus een beetje reserve kan geen kwaad. De plannen voor vandaag zijn bescheiden.

We zijn pas in de namiddag vertrokken en het enige dat wij willen bereiken is een geschikte plaats om de tent op te zetten. Na anderhalf uur peddelen gaan we op zoek. We leggen aan op plaatsen waar de oever de indruk wekt dat er een stukje vlak terrein schuil gaat. Maar de oevers zijn steil en bezaaid met enorme, bemoste keien. De zeldzame vierkante meters die vlak genoeg zijn voor een tent, blijken keer op keer uit veerkrachtig veenmos te bestaan, waar we laarsdiep in wegzakken. Toen mammoet en mens nog over en weer achter elkaar aan renden, lag hier de eindmorene van een reusachtige gletsjer. De ongekende hoeveelheid smeltwater die zich na de laatste ijstijd een weg naar zee zocht, trok diepe groeven in het landschap. De gaten van toen zijn de meren van nu. En de keien die de voorhistorische ijskap meesleepte, liggen decoratief te wezen op plekken waar een tent had kunnen staan. We besluiten door te varen naar de eerste overdraagplaats, een achthonderd meter breed stuk land dat ons scheidt van het volgende meer. Daar moeten toch twee tenten kunnen staan.

Verrassing in het kreupelhout
Het aardige van kamperen met een canadees is dat je niet op een kilootje meer of minder bagage hoeft te letten. Dat heeft vergaande gevolgen voor ons diner. Vanavond hebben we verse groenten, frisse salade, een stukje vlees en een flesje wijn. Maar onze eerste maaltijd in de wildernis heeft meer bekoorlijke kanten. Zoals een kampvuur. Elders in overbevolkt Europa behoren kampvuren zelden tot de mogelijkheden om respectabele redenen van brandgevaar en bescherming van de schaarser wordende natuur. Maar in dit land met weinig mensen en veel hout, hoeft een buitensporter zich niet te schamen om de nachtelijke kou met een beetje sprokkelhout op afstand te houden. Het is een koude, maanloze septembernacht. De hemel is helder, maar het zwakke licht van de sterren dringt niet door tot onder de bomen. Achter het schijnsel van ons kampvuur is het aardedonker. 'Wat is dat?' In het kreupelhout dansen twee felle lichtjes. Langzaam komen ze dichterbij. In het volle schijnsel van het vuur herkennen we een vos. Spitse oren, dikke staart, ogen als gloeiende kooltjes, op zijn hoede. Uitnodigend leggen we de restjes van ons diner op de grond. Dat lijkt hem wel wat. Maar Lowieke wil meer. Hij ontdekt de stapel vuile pannen en gooit ze rinkelend omver. Bestraffend spreken we hem toe. Maar Lowieke blijft komen. Zelfs de flits van het fototoestel neemt hij voor lief. Als vriend vos er ook nog vandoor gaat met een beker wijn, wordt het tijd voor een goed gesprek. Toegegeven, we hebben hem zelf met etensresten gelokt. Maar dit gaat te ver. Beseft hij wel hoe kostbaar een glas wijn hier in Zweden is? Dit argument maakt indruk. Zijn rode pluimstaart is het laatste dat we van hem zien.

Bevertanden
De ochtend van de tweede dag begint met overdragen. We proberen diverse manieren uit om de kano's te dragen, maar niet één manier is een succes. De scherpgerande metalen handvatten staan precies in een stand die maximale snijkracht garandeert. De beste gewichtsverdeling is met twee mensen aan weerskanten en de handen om de dwars spanten, maar het pad is te smal om deze methode met succes uit te voeren. Met zijn tweeën de kano omgekeerd boven het hoofd dragen gaat nog het beste, maar het vergt veel van de triceps, want een Coleman Ram X 16 weegt bijna veertig kilo. Elly en Jacqueline geven het op en gaan verder met het inpakken van de rugzakken. Ruud en ik leggen ondertussen een stevige basis voor rugklachten op latere leeftijd. Na twee keer achthonderd meter sjouwen zijn we aan een pauze toe. In plaats daarvan stappen we in de boot en vervolgen de route, pal tegen de wind in. We proberen zoveel mogelijk in de luwte van oevers en eilandjes te varen. Maar af en toe ontkomen we niet aan de volle wind. Tergend langzaam passeren we een eilandje en klampen ons aan een boom met sporen van bevertanden vast. Terwijl de wind de kano's probeert terug te blazen naar de plaats waar we vandaan komen, werp ik een blik op de kaart. Vanaf hier is het nog een kilometer pal tegen de wind in.

Verdwaald
Met vereende krachten peddelen we naar het einde van het meer. Voor ons ligt de tweede overdraagplaats. Maar waar? We proberen ons geluk in de moerassige zuidpunt. Als we even later vastlopen in een dicht vlechtwerk van veenmos en waterplanten, groeit de twijfel. Ik speel de rol van verkenner en duik het bos in. Geen pad te zien. Al dwalend bots ik op een groepje rendieren. De verrassing is wederzijds, maar we reageren verschillend. Zij sprinten weg en ik ga er achteraan. Aan de rand van een moeras kom ik tot stilstand. Dit lijkt niet op een logisch vervolg van de route. De rendieren staan een tiental meters verderop. Ze hebben me gezien en rennen weer het bos in. Ik heb het idee dat ze in een cirkel lopen, dus als ik ze volg dan moet ik in de buurt van de kano's komen. Na een paar minuten hebben de dieren blijkbaar genoeg van mijn bemoeizucht en laten mij achter op een punt dat me totaal niet bekend voorkomt. Misschien heb ik mijn omtrekkende beweging nog niet voltooid. In gedachten trek ik de cirkel van boom tot boom verder. Maar tien minuten verderop is het terrein nog steeds onbekend. Daar sta ik dan. Zonder kompas, zonder zon die me kan vertellen waar noord-oost-zuid-west ligt, zonder goed opgelet te hebben. Ik kriskras verder door het bos, in de hoop iets bekends aan te treffen. Tevergeefs. Ik roep en wacht op antwoord vanuit de kano's. Het blijft bij het fluisteren van de wind. Ik schreeuw. Geen antwoord. Ik kriskras verder en voel een lichte paniek. Kalm blijven, de kano's kunnen niet ver zijn. Maar waarom horen ze me dan niet? Ik sluit mijn ogen en probeer de kaart voor de geest te halen. Dat lukt aardig. Als ik nu nog zou weten waar het oosten is, dan kom ik er wel. Op goed geluk loop ik verder. Heb ik dat rotsblok al eerder gezien? Even later zie ik het meer en de kano's. Ik roep, zwaai en kijk op mijn horloge. Mijn avontuur heeft bijna een uur geduurd.

Doorgaan of afbreken
'Hoeveel eten hebben we nog?' We staan voor een moeilijke beslissing en de etensvoorraad speelt daarbij een belangrijke rol. Eergisteren zijn we bij de hut aan het Rogenmeer aangekomen. Deze ochtend zitten we er nog. We hadden gisteren het zeventien kilometer lange meer over willen steken, maar een stormachtige wind maakte dat onmogelijk. Nu is het windstil, maar de lucht wekt weinig vertrouwen. We moeten kiezen. Opgeven en dezelfde weg teruggaan of verder de wildernis in. Hier zitten we nog warm en droog, met een noodtelefoon en op een halve dag lopen van een weg. Als we doorgaan, zijn we volledig op onszelf aangewezen en kunnen we niet meer terug. We hebben gebeld met de mensen van Topsport en volgens hen is de weersverwachting niet hoopgevend. Regen tikt tegen de ruiten. Op tafel ligt eten voor twee volle dagen plus een ochtend. Wat is wijsheid? Elly houdt niet van regen en is voor afbreken. Jacqueline wil door. Ruud twijfelt. Ik ben een onverbeterlijke optimist, maar wil anderen niet meeslepen in een moeilijk te overzien avontuur. Ondertussen is het gestopt met regenen. We hakken de knoop door.

Muskusos
Voor ons ligt tien kilometer staalgrijs water. Op het ergste voorbereid steken we van wal. Vier oranje zwemvestjes onder een hemel met zwarte wolken. Maar we hebben geluk. Het blijft bij een enkele windvlaag en een beetje regen. Toch blijft het spannend. Met een tiental overdraagplaatsen en een onbekend aantal stroomversnellingen voor de boeg, wordt het nog een hele klus om bij Femund aan te komen voordat we door ons voedsel heen zijn. Dinsdagmiddag stopt er een veerboot die ons met kano's en al naar de bewoonde wereld kan brengen. Als we die missen, moeten we nog vijftien kilometer met lege magen verder peddelen. Na een sjouwpartij over omgevallen bomen en glibberige rotsblokken, leggen we de kano's in de Röa, het riviertje dat het Noorse Nationale Park Femundsmarka in tweeën deelt. We peddelen langs de voet van de veertienhonderd meter hoge Store Svuku. Op zijn tenen groeien tapijten geelgroen mos. Het leven lijkt hier harder dan aan de Zweedse kant. Overal staan dennen die de strijd hebben verloren. Op hun dode stammen groeit een korstmos dat vroeger werd gebruikt om wolven te vergiftigen. Tegenwoordig is dat niet meer nodig. De wolf is hier bijna uitgeroeid. In Funäsdalen hoorden we het verhaal van een 'lonely wolf' die plaatselijke bekendheid genoot omdat hij zo tam was. Hij speelde graag met de honden in het dorp, maar op een mooie winterdag trof men hem dood aan. Opgejaagd door onbekenden op sneeuwscooters en neergeknald. Veel dieren hebben we tot nu toe niet gezien. Vriend vos, een paar watervogels en af en toe een groepje vluchtende rendieren. Elanden, lynxen, bevers en veelvraten hebben ons misschien al lang in de gaten, maar ze komen niet tevoorschijn. Mensen zijn tweevoeters die jagen, dus wie geeft ze ongelijk? Deze zomer hebben enkele kanovaarders op de rechteroever een paar muskusossen gezien. Meestal zitten ze verderop in de bergen. De zeldzame dieren, die lijken op een kruising tussen een bison en een schaap, kregen het jaren geleden op hun heupen en verlieten huis en haard in de bergen van Dovrefjell. Na een wandeling van honderdvijftig kilometer streken zij hier neer. De Zweden organiseren nu zelfs muskusos-safari's. Misschien hebben we geluk en zien wij ze gratis.

Rommel
'Boeeeeh!' Een langgerekte toon doorbreekt de stilte. Ruud denkt aan de roep van een eland. Ik zou niet weten hoe een eland klinkt, dus wat mij betreft krijgt Ruud het voordeel van de twijfel. Vanaf het water speuren we de oevers af. Geen eland te zien. Het meer versmalt tot een snelstromend riviertje en even later is het raadsel opgelost. We naderen een hut en voor de hut staan twee mannen. Eén van hen heeft een hoorn in zijn hand. Dat moet onze eland zijn. Rune en Halvard komen uit het Noorse stadje Röros, waar ze als onderwijzers op een middelbare school werken. Zo vaak als ze. kunnen, trekken ze zich met hun honden en hun geweer terug in de natuur van Femundsmarka. Het is een verslaving die begonnen is toen hun vaders ze als kleine jongens voor het eerst meenamen. Tegenwoordig laat de jeugd het een beetje afweten. Ze hangen verveeld rond in Röros of trekken weg naar de grote stad. Maar sommigen voelen de aantrekkingskracht van de wildernis. 'Mijn oudste zoon krijg ik niet meer mee, maar mijn jongste vond zijn eerste tocht heel spannend.' Halvard glundert als hij vertelt hoe ze deze zomer urenlang aan de oever van het meer zaten, zonder veel te zeggen, genietend van de lange zomernacht. De Noorse jagers zijn al een paar dagen hier en hebben nog niets geschoten. Ze liggen er niet wakker van. Het jagen lijkt niet meer dan een excuus om de wildernis in te trekken. Waar ze wel wakker van liggen, dat zijn de kanovaarders. In de zomer komen ze met hele groepen tegelijk en niet iedereen gedraagt zich zoals het hoort. Afval wordt overal langs de route gedumpt. Een paar weken geleden hebben ze in de omgeving van de hut puin geruimd. Het resultaat bestond onder andere uit honderden lege bierblikjes, een stapel batterijen, plastic tassen en een paar afgedankte schoenen. Ook in de hut troffen ze vuilniszakken vol rotzooi aan. 'Ze denken zeker dat hier een vuilnisman langskomt. Deze hut hebben mensen uit Röros jaren geleden op eigen initiatief gebouwd. Iedereen mag er gratis slapen, maar het is niet zoiets als bij de hut aan het Rogenmeer, waar personeel het afval ophaalt. Het zit de Noren hoog. De kanovaarders huren hun boten in Zweden en geven daar hun geld uit. De rotzooi dumpen ze in onze natuur. Maar Rune en Halvard blijven aardig. Ze tracteren op plakjes gedroogd rendierhart en vullen onze geslonken voedselvoorraad aan met zakjes aardappelpuree en een grote, verse forel.

Zware meters
Een dag na onze ontmoeting met de jagers, ligt de forel op een platte steen boven het kampvuur te sudderen. Femundsmarka heeft het ons vandaag niet gemakkelijk gemaakt. Of beter gezegd, er zijn momenten geweest, waarop we niet eens meer twijfelden of het wel een goed idee is om hier een kanotocht te maken. Vandaag hebben we meer met de kano gelopen dan gepeddeld. Hoewel, lopen is het woord niet. Worstelen, ploeteren, struikelen, wegzakken in de prut, weer opstaan. Iedere meter deden we twee keer. Bij elkaar drie, vier kilometer zwoegen. Eerst de ene kano, dan de andere. Ruud en ik zijn gebroken. Elly en Jacqueline hebben zo veel mogelijk geholpen, maar meestal was dat fysiek niet mogelijk. De stroomversnellingen waren vaak spannend en soms te spannend. In het laatste geval was het kiezen tussen overdragen of de kano onbemand met touw door het water slepen. Treideln noemt onze Duitse routebeschrijving dat. Maar het water staat vrij laag en rotsblokken die 's zomers meestal overspoeld zijn, vormen lastige obstakels. Nog nooit heeft een vis ons zo goed gesmaakt. Het enige dat we in het kampvuur schuiven, zijn de kop en de schoon afgekloven graat. Als de regen het kampvuur dooft, kijkt de forel ons nog beschuldigend aan. Het is jammer dat we niet wat meer tijd in deze fantastische omgeving door kunnen brengen. Tussen het zwoegen door, komen we nauwelijks toe aan genieten. Maar we zijn bijna door de voorraad eten heen en het eindpunt is nog niet in zicht. Morgen moeten we alles op alles zetten om bij Femund aan te komen.

Havermout en water
Het water glijdt tientallen meters rimpelloos over een gladgeslepen rots, om zich vervolgens witschuimend naar beneden te storten. Dertig meter lager en enkele watervallen verder, komt de rivier tot rust en verbreedt zich tot één van de laatste meertjes op onze route. We zijn in de schemerige vroegte vertrokken en inmiddels is het vijf uur 's middags. Onze magen knorren. Een soepje met rijst is het eerste en laatste dat ze vandaag mochten verwelkomen. Het Femundmeer is maar drie kilometer van ons vandaan. Toch zullen de kano's het eindpunt vandaag nog niet bereiken. We schatten dat we nog een paar uur nodig hebben voor de laatste hindernissen. Eén of twee overdraagplaatsjes minder en het was gelukt. We zijn moe en verlangen naar de hut en de boot die ons met kano's en al morgenmiddag naar Sörvika kan brengen, aan de andere kant van het Femundmeer. We besluiten te voet naar de hut te gaan. De kano's laten we achter. Morgen zullen Ruud en ik de lege Colemans door het laatste stuk loodsen. In het donker komen we bij Femund aan. Een pad hebben we niet kunnen vinden, maar we lopen toch rechtstreeks op de hut af. Het geluk is met ons. Voorgangers hebben een beetje droogvoer in de hut achtergelaten. We eten havermout met water, op smaak gemaakt met een handje veenbessen. De volgende ochtend lopen Ruud en ik terug naar de watervallen. Onderweg bekijken we de route en schatten in hoe lang het zal duren om de kano's bij de hut te krijgen. Vol goede moed gaan we aan de slag. We krijgen steeds meer handigheid in het dragen en treideln van de kano's. Veel sneller dan verwacht, draaien we het Femundmeer op. Het laatste stuk ging zo gemakkelijk, dat we bijna aan onszelf gaan twijfelen. Was het de afgelopen dagen echt zo veel zwaarder dan vanochtend? Op de oever staat Halvard met zijn hond. Ook voor hun zit het er op. 'Heeft de jacht succes gehad!' Halvard glimlacht. In zijn tas zit één auerhoen. Meer heeft hij niet nodig. Als hij daarmee thuiskomt, heeft de onderwijzer uit Röros weer een excuus om binnenkort voor een paar dagen de wildernis in te gaan.