Kajak expeditie door het Eilerts de Haan gebergte
Auteur: Mark Veldkamp, ingezonden door Michel Boeijen
Suriname-expeditie strandt in moeras vol omgevallen woudreuzen.
Het zijn zes potige mannen en twee onverzettelijke vrouwen maar de leden van de Eilerts De Haan Expeditie
blijken niet opgewassen tegen het natuurgeweld van de Surinaamse jungle.
Het achttal deed in september 2008 een poging de ’maagdelijke’ top van het Eilerts De Haan-gebergte in het groene hart
van Suriname te beklimmen. Na dagenlang rondwaden in een vele hectares groot moerasgebied, waarin geworsteld moest worden
met omgevallen woudreuzen en armdikke lianen, konden de moegestreden teamleden uiteindelijk niet anders dan toegeven dat de natuur
hier een maatje te groot is.
„We hadden de top in zicht maar het gebied naar de voet van de berg staat onder water en is absoluut ondoordringbaar”,
aldus expeditieleider Michel Boeijen. De sterkste mannen, die in een laatste poging probeerden een doorbraak te forceren, kwamen na
twaalf uur hakken uitgeput in het basiskamp terug. Uit hun gps-gegevens bleek dat ze precies 1500 meter ver waren gekomen.
De start van de expeditie gaf al aan dat het menens zou worden. De acht moeten met de uitrusting vanuit de helikopter in de Gran
Rio-rivier springen omdat er nergens een plaats is om te landen. „Het bos is hier zo onvoorstelbaar dicht dat zelfs vanuit de lucht de rivier
maar af en toe zichtbaar is.”
Als het basiskamp is ingericht op het enige stuk graniet dat in de verre omtrek boven water uitsteekt,
blijkt het nog altijd niet in kaart gebrachte gebied te estaan uit een moeras met een niet te ontwarren kluwen van omgevallen dode bomen, lianen en ondoordringbaar struikgewas.
Met de kajaks komen ze nauwelijks vooruit, elke vijf meter is er weer een obstakel. Het water staat zo hoog dat waden geen optie is.
Anjumara met kaken van een pitbull
Boeijen heeft inmiddels meer dan 50 expedities door het Surinaamse oerwoud op zijn naam staan maar ook hij is ditmaal overweldigd door de
grootsheid van de jungle. „Zelfs de dieren zijn hier groter. Ik heb een anjumara van 19 kilo gevangen, een oersterke vis met de kaken
van een pitbull. Tweemaal beet hij de stalen vislijn door, maar hij bleef terugkomen!”
Cartograaf Alette Looijenga brengt tijdens de expeditie 18 kilometer van de bovenloop van de Gran Rio in kaart, tot vlak bij de bron
van de rivier. „Dat geeft wel aan hoe uniek dit gebied is, hier is nog nooit iemand geweest.”
Tijdens de 175 kilometer lange terugtocht over de rivier naar het dorpje Kajana moeten meer dan 20 stroomversnellingen
en watervallen genomen worden. „Omdat we grotendeels door totaal onbekend gebied voeren, wisten we ook niet hoe groot het verval
was. Dat betekende dus op tijd uitstappen, want voor je het weet word je meegetrokken in de stroom en stort je meters lager op de rotsblokken.”
Onderweg wordt even gestopt bij het graf van marinecommandant Johan Eilerts de Haan. De naamgever van het gebergte bezweek tijdens de expeditie
van 1908 bij het in kaart brengen van de Gran Rio.
Met wat hakwerk en een lik witte verf wordt het overwoekerde graf door kleinzoon en expeditiedeelnemer Herrie weer gefatsoeneerd. „Misschien moet het zo zijn.
Johan lukte het niet om zijn tocht te volbrengen, zijn kleinzoon Herrie evenmin. We zijn niet gefrustreerd. Waarom zou de mens altijd moeten winnen? Ontzag voor de natuur, da’s veel mooier dan winnen.”
