De Marne - Eeuwig dobberen

Tekst: Bart Aardema, gepubliceerd in Oppad, Oktober-nummer 1996

Wie met de fiets door Noord-Frankrijk trekt, rolt langs eindeloos golvende graanvelden. Maar peddelend over de Marne laijgt het landschap een heel ander gezicht. De rivier lijkt door een oneindig woud te stromen en de beschaving toont slechts haar buitenkant. Eeuwig zou je voort willen dobberen.

Kanotochten op de Marne

'Hier gaat het niet, het stikt van de waterplanten.' 'Maar in de gids staat dat het vanaf hier wel mogelijk is', probeer ik. Udo is onverbiddelijk. Nee is nee, tenslotte is hij de kapitein. Ik baal wel, want de Aire is een snoezig riviertje; smal en een beetje weggezonken in het landschap, met bomen en struiken aan de waterkant.

Mooi is dat
Onder de brug bij Chaumont-sur-Aire vinden we een nieuwe plek om de kano te water te laten. De Aire is hier een beetje breder en vrij van waterplanten. Het is een behoorlijk karwei om de boot langs de brug naar het water te sjouwen en dat geknoei trekt meteen de aandacht van twee agenten. 'Cest interdit', zeggen ze. Mooi is dat. Hebben we een leuk Noordfrans watertje gevonden, mogen we er niet op. Ik wil oom agent nog mijn waterkaart laten zien waarop dit stukje van de beek als bevaarbaar staat aangegeven, maar dan zegt één van hen: 'Het is verboden hier uw auto te parkeren.' 'Oh, pas de problème. Encore une minute et nous sommes partis.' De agent zet zijn pet eens recht, consulteert zijn collega en wenst ons een 'bonne promenade'.

Stuw!
En daar glijden we dan over de smalle beek door een volstrekt eenzaam landschap. De stroom is juist voldoende om de boot een aangename snelheid te geven. In de struiken langs de oever kwetteren vogeltjes, op de achtergrond loeit een koe. Het paradijs kan nauwelijks mooier zijn geweest. 'De grootste zijrivier van de Aisne, de Aire, is met zijn heuvels en bossen langszij echt mooi. Alleen in de buurt van bos moet je rekening houden met versperringen door bomen. Het water is schoon, als er tenminste een goede stroming staat. Dat is meestal alleen in het voorjaar het geval', aldus de DKV kanogids. 'Stuw!', roept Udo plotseling. Ik hoor om de bocht wat geborrel, maar een echte stuw klinkt toch anders. Bovendien, waarom zou er in dit beekje een stuw zitten? Voor de zekerheid sturen we de boot naar de oever. En dan blijkt dat ook een minibeek als de Aire zijn verrassingen heeft. Om de hoek ligt een heel onnozel stuwt je. Op zich geen probleem, ware het niet dat hij verstopt zit onder tientallen dode bomen. Van doorvaren kan geen sprake zijn. Twee koeien kijken vrolijk toe hoe wij met vereende krachten de boot uit het water tillen en hem dwars door de bush naar de overzijde van het stuwt je slepen.

Wat moet dat hier?
Veel bos is er langs de beek niet te vinden, maar in het water liggen des te meer bomen. Een ontspannen peddeltoertje groeit uit tot een zware expeditie. Bij de zevende versperring zijn we kapot. Tijd voor koffie. 'Wat moet dat hier?' Achter ons duikt opeens een man op, zichtbaar boos. 'Koffie drinken', zeggen we en houden onze dampende mokken omhoog. 'Maar wat is dat dan?' De man wijst op de kano. 'Dat is onze boot. Wij zijn hier aan het kanoën.' 'Dat is verboden. Ik heb de visrechten gepacht. Wegwezen dus.' Ik trek mijn schouders op en denk: 'Bekijk het maar, wij varen lekker verder.' Strikt genomen heeft deze visser immers alleen de visrechten, niet de waterrechten. Hij moet dus niet zeuren. Udo ziet echter mogelijkheden. Hij is al dat gesleep met de bepakte boot zat en ruikt een kans om een lift naar Chaumont te versieren om de auto op te halen. Het lukt. Einde tocht op de Aire. Jammer, want dat slepen met een boot door de ruige natuur gaf mij het gevoel van echt avontuur.

Eenzaam en natuurlijk
Dan maar een wat grotere rivier. De Marne wordt ons nieuwe doel. Deze rivier is breed, zodat bomen niet kunnen blijven hangen. Bovendien is hij lang, voor dagen kanoplezier, en in de bovenloop eenzaam en natuurlijk. Het is al nazomer wanneer we in St. Dizier onder de brug van de D384 de groene Dagar opnieuw in aanraking brengen met het water. Vanaf St. Dizier zijn er volgens de DKV-kanogids geen noemenswaardige moeilijkheden te verwachten en vol enthousiasme steken we van wal. Het is windstil en een graad of twintig. De paar vissers die de oever bevolken, zijn vriendelijk. Ze hebben ook geen last van ons, de rivier is hier zeker tien meter breed. Snel glijden we naar de stads rand, maar nog binnen de bebouwde kom moeten we naar de kant: een stuw. Met een kajak is deze misschien te nemen, maar wij stappen uit en geleiden de boot met de hand over de stroomversnelling. In vergelijking met de Aire is dit kinderspel. De rivier ligt als het ware in een kraag van bos en we krijgen soms het idee door een oneindig woud te varen. 'Kijk een ijsvogel.' Over het water scheert een neonblauwe ballpoint. 'En nog één en nog één.' Ik dacht dat deze vogels zeldzaam waren.

De jeneverfles
Drie kilometer verderop wankelt de boot plotseling. 'Rustig, ik sta even om de rivier te verkennen', zegt Udo. Het is maar goed dat hij zoveel ervaring heeft, want net op tijd zien we dat bij een houtzagerij de rivier is afgedamd. Vreemd dat hiervan in de gids geen melding wordt gemaakt. Een waterval als deze is levensgevaarlijk als je hem niet hoort en hem varend moet nemen. De oevers zijn hoog en steil en het is een heidens karwei de boot langs de hindernis te slepen. Kano-overdraagplaatsen zijn in Noord-Frankrijk een onbekend fenomeen. Eenmaal terug in de boot is deze inspanning gauw vergeten. De rivier stroomt redelijk snel en af en toe zijn er kleine natuurlijke of semi-natuurlijke stuwtjes; heel licht wild water, tenminste bij de huidige waterstand. Als je op de fiets door dit land trekt, zie je golvende graanvelden zover het oog reikt. Vanaf het water lijkt het land echter totaal niet op die eindeloze goudgele prairies. Af en toe rijzen de oevers vrijwel loodrecht omhoog. Rotspartijen wisselen beboste hellingen af. Soms wekt de rivier hierdoor de indruk door een heus gebergte te stromen. Het Marnedal is vrij dicht bevolkt, maar van de dorpen en steden zien wij alleen de bruggen. Verder is er slechts natuur. Onvoorstelbaar hoe anders je blik is vanaf een nVler. Op de kaart hebben we maar een paar centimeter afgelegd, maar in werkelijkheid zit er al 25 kilometer op als we voorbij Hauteville een plaatsje voor de nacht zoeken. Campings zijn hier niet. Dat is ook onnodig, want op de eenzame oevers zijn plekjes te over om wild te kamperen. We landen op een verhoogde zandbank en bouwen daar ons kamp op. Net als de zon ondergaat, brandt ons kampvuur. Udo haalt zijn mondharmonica te voorschijn, ik laat de jeneverfles rondgaan. Boven de oevers weerklinkt de kreet van een jagende uil.

Talloze terrasjes
De volgende dag gaat het verder in hetzelfde ritme, dezelfde sfeer. Dan stuiten we ineens op het afvoerkanaal van het Lac du Der-Chantecoq, dat water op de Marne loost; de boot racet verder over de overvolle rivier. Het water uit het meer is ook een stuk smeriger. Onze kano lijkt aan elke nederzetting voorbij te drijven. Van Moncetz, Cloyes en Bignicourt zien we alleen achtertuinen vol wapperend wasgoed. Pas bij een stop onder de brug van Vitry is er contact met het normale Franse leven. We doen inkopen en trekken ons weer terug in onze kanowereld. Het geluid en de drukte blijven hangen aan de brug. Voor ons ruist alleen nog het water van de Marne.

Lekke band
Bij Couvrot ligt er opnieuw een gevaarlijke stuw in de Marne en weer moet de boot uit het water. 'Lekke band!' Het kanokarretje staat met twee lege banden. We zijn door glas gereden. Helaas, want wie neemt er nu bandenplakmateriaal mee op een kanotoer? Wij niet en de lekke banden dwingen ons die dag in Couvrot te blijven. Er is een prachtig plekje op het niemandsland tussen de Marne en het kanaal dat parallel aan de rivier loopt. Over de sluis zijn de terrassen in het dorp bereikbaar. Couvrot, Soulange, Ablancourt. Door de bruggen te tellen, weten we dat we deze plaatsjes zijn gepasseerd. De rivier verandert maar weinig van karakter. We blijven in de natuur, alleen is het gemengde bos van het eerste stuk vervangen door lange rechte rijen populieren. Meteen is ook het aantal ijsvogels afgenomen. Daar staat tegenover dat er nu een paar keer een buizerd overzweeft. Ik zou zo eeuwig kunnen voortdobberen, maar onze tocht eindigt in een dorpje vlak voor Chálons.